Keramiek techniek

Kleiplaten:

Voor onze ‘dame op stoel’ heeft Ronny vooraf een achttal platen uitgerold, die hij 24 uur heeft laten opstijven in een koele ruimte. Vlak voor het verwerken worden de kleiplaten nog eens lichtjes aangerold, ditmaal met aandacht voor tekstuur (het weefpatroon) van de gebruikte stof: deze bepaalt de ‘huid’ van de kleiplaat en die kan zijn weerslag hebben op het latere uitzicht. Soms wordt die tekstuur achteraf ook geheel of gedeeltelijk weggewist. Door het liggen is de klei enigszins stug geworden, door het opnieuw rollen wordt hij weer wat soepeler. Stijfheid: De kleiplaat kan rechtop gezet worden zonder dat ze doorzakt, maar je kan ze nog wel buigen zonder dat ze scheurt (leerhard).

De constructie:

Vooraf worden de kleiplaten op maat gesneden. Het monteren van  de plakken gebeurt op de klassieke manier: lossnijden, inkrassen (niet altijd), inpappen, vastdrukken en de binnennaad verstevigen met een kleirolletje. Het hechtingsslib maak je het beste aan op basis van chamotteklei: die krimpt minder en  bovendien verzekeren de korreltjes een betere hechting. De klei wordt in de vorm geklopt met een houten lat. Extra textuur wordt aangebracht door een lap stof op het kleioppervlak te leggen en erover te wrijven met de zijkant van een mes.

Het basiselement wordt van binnen overbrugd met twee kleistroken, die tevens de bovenplaat zullen ondersteunen. De bovenbouw wordt afwisselend opgebouwd uit kleinere (en ook geleidelijk aan dunner wordende) plakjes en kleirollen – dit laatste louter ter decoratie. Deze techniek maak het mogelijk de vorm beter onder controle te houden. geregeld wordt het kleioppervlak aangeklopt, zowel om de naden te verstevigen als om de vorm te corrigeren.

Voor de buitenmantel opgezet wordt heeft Ronny enkele steunribben aangebracht op de binnenwand, teneinde een solide verbinding tot stand te brengen. Noteer het verluchtingsgaatje tussen de steunribben. Hier wijkt Ronny af van zijn ontwerptekening; omtrent de voorzijde van zijn werkstuk had hij geen welomlijnde ideeën, en nu ziet hij zich gedwongen met insnijdingen en invoeging van extra kleiplaten te zoeken naar een oplossing.

Het broekje en de benen van onze dame zijn klaar. Op de benen is wat fijne klei aangebracht om ze een glad uiterlijk te geven. Het aardappelmesje snijdt met enkele forse halen het middenstuk weg uit de bovenbouw – de openingen worden gedicht met twee dwarsplaten. Nu zijn zowel het werkstuk als de keramist aan rust toe. Het stuk wordt tot morgen omwikkeld met keukenfolie.

In het midden van het bovenlichaam komt vooraan een enigszins verzonken kleistrook die langs achter vastgezet wordt; de achterkant wordt dicht gewerkt met kleiproppen. Nu begint het plezierige werk: het decoreren van de sierstroken; dat gebeurt met fijne, uitgesneden kleiplaatjes die op de met slib ingesmeerde ondergrond gekleefd worden. Dat de boord van de hiërogliefenstrook afgewerkt wordt met zuiltjes e.d. heeft naast een inhoudelijke betekenis (huisjes van plezier, liefdestempeltjes …) tevens een praktische reden: het duidelijk afbakenen van de deelvlakken met het oog op de latere inkleuring. Ronny gebruikt verbluffend weinig gereedschap; hij doet wonderen met een eenvoudig aardappelmesje (zijn ‘patotermeske‘), een naald en een puntig potlood. In dit stadium van de werkzaamheden moeten de randen van het werkstuk regelmatig vochtig gehouden worden met een plantenspuitje. Wanneer het boetseerwerk af is komt de dubbelwandige rugleuning aan de beurt (het luchtgaatje niet vergeten) de boord wordt afgeschuind.

Na de achterkant komt de voorzijde aan de beurt: de centrale ‘zuil’ wordt vol figuurtjes getoverd en het rokje/broekje krijgt reliëf. Op de zijkanten worden banden uitgelijnd die de algemene vorm herhalen en een houvast bieden voor de latere beschildering.

De decoratie:

Het werkstuk werd op 900°C gebakken en zal nu een dunne laag bruin-blauwe ‘engobe’ opgeborsteld krijgen. Vooraf wordt het volledig nat gemaakt met een dikke kwast: dat vermindert de zuigkracht van de scherf en zo vermijdt Ronny zichtbare borstelstrepen.

Als het hele werkstuk ingewreven is, gaat Ronny er met een niet al te natte spons over. De kleurstof wordt weggewreven, maar in de oneffenheden blijft ze zitten, zodat tekstuur en reliëf geaccentueerd worden. Nu gaat Ronny in verschillende stappen met het penseel grillige tekeningen aanbrengen in telkens weer iets andere, dun aangemaakte blauwe engobes. Dat doet hij als volgt: eerst worden te versieren vlakken met behulp van een kwast met engobe ingekleurd. Op de engobe penseelt hij lange slierten was. Vervolgens wordt de engobe weggesponsd. Onder de was blijft ze natuurlijk zitten. Deze operatie (inkleuren, tekening in was, afsponzen) wordt nog driemaal herhaald met de andere blauwe engobes. Door het spel van overlappingen lijkt het eerste afgedekte kronkelpatroon er nu bovenop te zitten, en als laatste aangebracht te zijn.

Ronny schildert weer verder, maar nu met wit en blauwe glazuur. De wanden van Ronny’s atelier hangen vol met misschien wel duizend glazuurstaaltjes, maar toch gebruikt hij voornamelijk transparant en wit (mat en glanzend). En, zoals in dit werk duidelijk blijkt, blauw. Ook op het glazuur werken we terug met wasuitsparingen – penseeldecoratie heeft wel een ander karakter dan de eerste reeks. Nu wordt het, met het glazuurpenseel in de hand een zoeken naar een evenwichtige vorm-kleur compositie. Het geheel wordt gebakken op 104o°C. Als finishing touch heeft Ronny sommige details nog opgehoogd met goudluster, die vastgebrand werd op 700°C.